FOTO VAN DE MAAND MEI 2022

DE COMMANDANT
Deze maand geen (ingekleurde) foto, maar een portretgalerij van elf van de veertien commandanten die tussen 1785 en 2000 dagelijkse leiding gaven aan de Kweekschool voor de Zeevaart. Helaas ontbreken in deze galerij de portretten van de eerste drie commandanten.

Hoog waren de eischen die de Commissarissen aan zich zelven stelden, niet minder hoog die, welke zij meenden te mogen stellen aan het ‘Opperhoofd, aan wien het bestuur van het Gesticht, en de zorg voor de uitvoering van alle de gemaakte orders moest worden aanbevolen’.
Behalve dat dit opperhoofd een zeeman moest zijn, volkomen bedreven in alles wat den zeedienst betreft, diende hij daarenboven te zijn een man van onbesproken zeden, een Nederlander van geboorte, van een ernsthaftig en bedaard karakter, een man, die het zich zoowel tot een genoegen als tot een plicht rekende om aan de eischen van dit gewichtig beroep op alle mogelijke wijzen te voldoen; kortom, een man, die zich uit hoofde van zijn voorkomen, door zijn onderhoorigen en door de hem toevertrouwde jeugd, kon doen eerbiedigen en gehoorzamen.

Met deze zinnen begint J.C.M. Warnsinck in zijn boekwerk De Kweekschool voor de Zeevaart en de Stuurmanskunst 1785-1935 het hoofdstuk gewijd aan de eerste ‘Commandeurs’ van de Kweekschool. Hij citeert hierbij uit het verslag van de vergadering van de commissarissen van het Vaderlandsch Fonds van 13 december 1784, een klein jaar voor de opening van de Kweekschool.
Het ‘opperhoofd’ moest dus een zeeman zijn, dat stond bij de commissarissen buiten kijf. Men voegde de daad ook bij het woord: de eerste commandant, Eldert Kraay, had bij zijn aantreden in 1785 liefst 43 jaar zeemanservaring. Van zijn dertien opvolgers zouden er twaalf ook eerst een kortere of langere zeemansloopbaan hebben doorlopen, hetzij bij de koopvaardij, hetzij bij de Koninklijke Marine. Twee van de als commandant aangestelde marineofficieren – Le Comte en Spanjaard – waren drager van de Militaire Willems-Orde.
Enige uitzondering op de zeeman-regel vormde de in 1840 benoemde commandant Rutte Jochems, die acht jaar eerder tot ‘schoolmeester’ was benoemd. Jochems had nimmer de zee geroken, was zelfs niet scheepswijs, en de stuurmanskunst was voor hem een gesloten boek, aldus Warnsinck. Ondanks die ‘tekortkomingen’ zou Jochems bijna 25 jaar aanblijven; eind 1864 was hij genoodzaakt wegens hevige rheumatiek als gevolg van de vochtigheid der commandeurswoning ontslag te vragen.

Meerdere commandanten waren bij hun benoeming al langer aan de Kweekschool verbonden, hetzij als leraar, hetzij als eerste officier. Jurriaan Meinerts had eerst tien jaar de functie van ‘bottelier’ aan de Kweekschool bekleed, hij zou vervolgens liefst 33 jaar als commandant aanblijven.
De eerste oud-kwekeling die zelf commandant werd was Jan Spanjaard (jvi 1816). Na hem volgden nog de oud-kwekelingen Adrianus Pieter Achenbach (jvi 1835), Willem Jacob Swart (jvi 1852), Gijsbertus Doncker (jvi 1878), Daniël Hendrik van der Hiel (jvi 1901) en Willem Verbeek (jvi 1922).

Commandanten kregen van de kwekelingen natuurlijk bijnamen, zoals ook vele officieren, bootslieden en docenten die kregen. Voor zover het collectieve kwekelingengeheugen nog reikt ging het in ieder geval om ‘Spekkie’ (Van der Hiel), ‘De Prik’ (Kruisinga), ‘De Bolle’ (Verbeek) en ‘Japie’ (Diephuis). Ook andere commandanten zullen met bijnamen zijn bekleed, maar die zijn helaas in de geschiedschrijving van de Kweekschool niet bewaard gebleven.

Commandanten droegen ook bij aan het onderwijs van de kwekelingen, niet alleen in de vorm van lessen of instructie, maar sommigen ook in de vorm van leerboeken. Zo schreven de commandanten Van der Hiel en Kruisinga leerboeken inzake scheepsbouw en zeemanschap. En commandant Jan Oderwald was een veelschrijver, hij schreef tijdens zijn periode aan de Kweekschool niet alleen een ‘Handboekje bij de praktische oefeningen’ (1926) en een ‘Technisch woordenboek voor de scheepsdienst in vier talen’ (1931), maar ook een 500 pagina’s tellend boekwerk ‘De ontwikkelingsgeschiedenis van de scheepvaart – het schip’ (1929), compleet met 150 plakplaatjes. Na zijn vertrek in 1931 schreef Oderwald vooral nog boeken over de ‘zeiltijd’, onder meer ‘Het Nederlandse zeilschip van 1800 tot het einde’ (1939), ‘Nederlandse snelzeilers – De geschiedenis der snelle Nederlandsche Clipperschepen’ (1940) en ‘Rondom de Vliegende Hollander’ (1941). Daarnaast leverde hij meerdere bijdragen aan maritieme vakbladen.

En wat te zeggen van de derde commandant, Pieter le Comte. Deze bij zijn aantreden aan de Kweekschool in 1828 nog pas 26 jaar oude luitenant-ter-zee bleek uiteindelijk als commandant minder geschikt, reden waarom hij in 1837 werd ontslagen. Maar Warnsinck noemt hem als tekenaar en lithograaf een hoogst begaafd man, en acht het mogelijk dat de aanleg en de neiging die hij hiertoe bezat hem van zijn eigenlijk werk hebben afgehouden. In 1831 bracht Le Comte zijn eerste boek uit, onder de titel ‘Afbeeldingen van schepen en vaartuigen in verschillende bewegingen’, met 50 prenten en uitvoerige beschrijvingen van allerhande destijds in gebruik zijnde vaartuigen en hun tuigage.

Kofschip; Pieter le Comte, 1831

In 1842, Le Comte was toen inmiddels in dienst bij het Amsterdamse Loodswezen, verscheen zijn magnum opus, het tweedelige en rijk geïllustreerde ‘Praktikale zeevaartkunde en theoretische kennis voor handel en scheepvaart’. Het boekwerk kreeg een zeer positieve ontvangst en vond gretig aftrek. Behalve schip en tuigage behandelde het de kommando’s, manoeuvres, scheepstermen, zeebrieven, makelaars-courtagiën, tarieven, maten, gewichten, wissels, munten, en bovendien de wetten, besluiten en reglementen die voor den zeeman van belang zijn. Tekst en platen, tezamen vormen zij een zeemanshandboek zooals men geen beter kan wenschen.
Vele van Le Comte’s tekeningen en litho’s zijn bewaard gebleven, onder andere in de collectie van het Rijksmuseum.

De woelige jaren zeventig van de vorige eeuw gingen ook de Kweekschool voor de Zeevaart niet voorbij. De toenmalige commandant Albert Diephuis had het lastig met kwekelingen die zich – net als hun leeftijdsgenoten buiten de poort – in toenemende mate aan ‘gezag, tucht en orde’ wilden ontworstelen. Bovendien raakte hij door de onderwijsfusie tot Hogere Zeevaartschool Amsterdam de titel van commandant ook nog eens een aantal jaren kwijt. Die titel werd later overigens in ere hersteld voor de functie van hoofd van het internaat van de Kweekschool.
Aan het eind van de jaren tachtig was er opnieuw enige jaren sprake van een ‘interim-situatie’, zonder formele bekleding van het ambt van commandant. Maar uiteindelijk zou in 2000 het internaat van de Kweekschool voor de Zeevaart onder bevel van de laatste commandant, Harry Bijleveld, definitief gesloten worden.